Deze website gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Angstig gedrag bij kinderen

Iedereen is wel eens bang. De een sneller dan de ander. En waarvoor je bang bent verandert met de leeftijd. Een kleuter weet bijvoorbeeld nog niet goed het verschil tussen iets wat echt is en wat fantasie is.

Veelvoorkomende angsten bij basisschoolkinderen zijn: angst voor alleen zijn, het donker, onweer, honden (of andere dieren), een ongeluk, brand of een inbreker in huis.

Hoe weet je dat je kind bang is?

Een hele normale reactie op angst is dat:

  • je kind zich stevig aan je vasthoudt of weg wil uit een situatie;
  • je kind anders doet dan anders, bijvoorbeeld de clown uithangen, driftig of boos worden;
  • je kind lichamelijk reageert, bijvoorbeeld klagen over hoofd- of buikpijn, een wit gezicht krijgen, huilen, trillen, klamme handen krijgen, schrikken, weer in bed gaan plassen;
  • je kind veel droomt en niet kan of wil slapen;
  • je kind niet (meer) alleen durft te zijn;
  • je kind veel met een gebeurtenis bezig is en bijvoorbeeld enge situaties naspeelt;
  • jongere kinderen last hebben van heimwee als ze uit logeren gaan.

Als de reden om bang te zijn weg is, dan verdwijnt ook de reactie. Blijft de reactie bestaan wanneer de reden weg is, dan kan dit erg vervelend zijn voor je kind en is het goed om advies te vragen aan je huisarts of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG).

Wat kun je zelf doen op het moment dat je kind bang is?

  • Laat je kind weten dat je ziet dat het bang is.
  • Probeer je kind te laten vertellen waarvoor het bang is.
  • Blijf zelf rustig. Het kan helpen om je op je eigen ademhaling te concentreren.
  • Lukt dit niet, dan kun je aangeven dat je de situatie zelf ook niet zo prettig vindt.
  • Ga er niet in mee als je kind de situatie wil ontlopen, maar moedig juist aan nieuwe dingen te proberen. Maar iets forceren heeft geen zin.
  • Geef je kind een compliment als het lukt om rustig te blijven in enge situaties.

Wat kun je nog meer doen?

  • Neem angsten serieus en noem ze geen aanstellerij. Praat erover. Je kind voelt dan zich begrepen en gesteund.
  • Beloon het gedrag dat je graag wilt zien. Geef je kind een compliment als het iets doet wat het eng vindt.
  • Geef het goede voorbeeld. Laat zien dat je zelf ook op moeilijke situaties afgaat en deze niet vermijdt. Als jij je angstig gedraagt, kun je dit overdragen op je kind.
  • Bedenk samen dingen die kunnen helpen in enge situaties, zoals je ontspannen en aan iets leuks denken.
  • Help je kind stap voor stap zich over angsten heen te zetten. Als je kind bijvoorbeeld bang is voor honden, ga dan eerst samen naar plaatjes kijken van honden, en probeer dan eens een kleine en daarna een grotere hond te aaien. Als het beter gaat kun je je kind leren dat je niet zomaar alle honden kunt aaien die je niet kent, omdat dit gevaarlijk kan zijn.

Angststoornis

Maak je je veel zorgen over de angst en heeft de angst invloed op het dagelijks leven van je kind? Bespreek de angst dan met de huisarts of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Het kan zijn dat je kind een angststoornis heeft.

De ADF Stichting is de patiëntenvereniging voor mensen met angst- of dwangklachten. Op Bibbers.nl vind je informatie, tips, spelletjes en filmpjes voor kinderen met angstklachten en hun ouders.

×
Waar ben je?